Atlantis
De verzonken stad
De poorten van Atlantis

Atlantis (Oudgrieks: Ἀτλαντίς, "eiland van Atlas") is een mythisch eilandenrijk waarvan de historiciteit onduidelijk is. Atlantis werd voor het eerst vermeld in Plato's dialogen Timaeus en Critias. Het rijk zou door een catastrofe plotseling zijn verdwenen.

Inspiratiebronnen

Plato's beschrijving van een mythisch eiland komt over de hele wereld in vele verhalen voor, in de vorm van een aards paradijs, dat ten onder is gegaan aan natuurrampen, zoals aardbevingen of vloedgolven. Sommigen denken dat Plato geïnspireerd was door de vulkanische gebeurtenissen op het eiland Santorini. Geleerden zijn het er evenwel niet over eens of Plato mogelijk door vroegere bronnen is geïnspireerd. Sommigen gaan ervan uit dat hij putte uit verhalen over de vulkaanuitbarsting op het eiland Thera omstreeks 1600 v.Chr., terwijl anderen veronderstellen dat hij door de verwoesting van Helike in 373 v.Chr. of de mislukte Atheense expeditie naar Sicilië in 415-413 v.Chr. zijn inspiratie voor Atlantis kreeg. Omdat Plato de verwoesting van Atlantis in verband brengt met de vloed van Deucalion wordt ook wel verondersteld dat hij zich liet inspireren door een zondvloedverhaal.

Atlantis volgens Plato



De Griekse filosoof Plato (427-347 v.Chr.) was, zover als nu bekend is, de eerste die over Atlantis schreef. In een van zijn dialogen vertelt het personage Critias dat zijn grootvader het verhaal over Atlantis rechtstreeks van de grote Solon (638–558 v.Chr.) vernomen zou hebben. Hoe het land eruitzag, is door Plato bij monde van deze Critias in detail beschreven. Onder andere was er op het eiland een tempel gewijd aan de god Poseidon, de god van de zee. Het eiland Atlantis lag buiten de Middellandse Zee, dus nog verder dan de Zuilen van Hercules (de Straat van Gibraltar).

In zijn 'Timaeus' en vooral in 'Critias' vertelt Plato uitgebreid over een eiland, "groter dan Noord-Afrika en Klein-Azië bij elkaar", waarvan de bevolking in overvloed en weelde leefde, zo'n 11.000 jaar geleden. Tijdens een bezoek aan Egypte zou Solon in de stad Saïs een priester ontmoet hebben, die hem uitvoerig vertelde over de overwinning van de Grieken op "een machtig leger dat, vanuit een ver punt in de Atlantische Oceaan, oprukte om Europa te veroveren. De indringers kwamen van een eiland Atlantis, buiten de Zuilen van Hercules" (de huidige Straat van Gibraltar).

Plato introduceert het verhaal over Atlantis' macht en ondergang in de dialoog Timaeus. Daarin vertelt het personage Critias hoe dit rijk omstreeks 9500 v.Chr. door een wereldwijde catastrofe, een soort zondvloed, zou zijn weggewist. In de onvoltooide dialoog "Critias" geeft Plato een zeer gedetailleerde beschrijving van het centrum van het machtige Atlantis-rijk:

"De oude hoofdstad was rijk aan natuurlijke bronnen en er was voedsel in overvloed. Hoge bergen boden beschutting tegen de noordenwind en over de weiden zwierven dieren zoals olifanten en paarden, die dronken uit meren en rivieren. Er regeerden 10 koningen over dit paradijselijke eiland en de bewoners leefden er in volmaakte harmonie".



Volgens Plato was de oude hoofdstad van Atlantis een streng geometrisch uitgebouwd systeem van concentrische cirkels met om beurten een ommuurd eiland en een kanaal, met een totale diameter van 22,5 km. Op het cirkelvormige centrale eiland waren er sportterreinen, het koninklijk paleis en een tempel, gewijd aan de zeegod Poseidon, beschermgod van de stad. Het hoofdeiland was helemaal ingesloten door een cirkelvormig, 183 meter breed kanaal. Daaromheen was opnieuw een ringvormig eiland, 365 meter breed, met een paardenrenbaan, een kazerne en een grote binnenhaven. Het was gescheiden van de derde buitenste landring door een even breed kanaal. Aan één kant liep een kanaal rechtstreeks van de zee door dit geometrische complex tot een binnenhaven in het centrum.

De ligging van Atlantis

Door de jaren heen zijn er talloze ideeën over de ligging van Atlantis verschenen. Geen enkel idee kan als een wetenschappelijke theorie worden beschouwd: goede onderbouwing ontbreekt altijd. Er is wel beweerd dat Atlantis gevonden zou zijn in de buurt van de Azoren, Amerika, Scandinavië, de Noordzee, Malta, Thera, de Britse Eilanden, het eiland Cuba, Zuid-Spanje, Kreta, Cyprus, Santorini, de Canarische Eilanden en Antarctica. Ook worden wel Egypte, Indonesië, Madagaskar en Australië genoemd als mogelijke plaatsen van Atlantis.

Atlantische Oceaan



Een fictieve kaart van Atlantis uitgegeven door Athanasius Kircher (Amsterdam, 1665). Hier is het noorden onder en het zuiden boven. Links zijn Spanje en Afrika nog zichtbaar en rechts Amerika.

Een kaart van de plaats waar Atlantis volgens de meeste 'theorieën' gelegen zou hebben: midden in de Atlantische Oceaan. Ook aangegeven zijn de invloedssferen van Atlantis op de omringende continenten, althans volgens Ignatius Donnelly, gepubliceerd in het boek van Ignatius Donnelly Atlantis: The Antediluvian World (New York, 1882).



Volgens een ander idee zou het rijk Atlantis gevormd zijn geweest door een keten van kleine eilanden en bergruggen in het midden van de Atlantische Oceaan, die geografisch de Oude (Europa en Afrika) en Nieuwe Wereld (Amerika) verbonden, met uitlopers aan weerszijden van de Oceaan. Alleen de Azoren en de Canarische Eilanden zouden als toppen van de Mid-Atlantische Rug na de ramp boven de zeespiegel overgebleven zijn. Op geen van deze eilanden zijn echter resten van een oude hogere beschaving aangetroffen. Het klopt dat de dunne oceaanbodem in de buurt van de Azoren, evenals de overige delen van de Mid-Atlantische Rug, een vulkanische stoorzone is.

Deze omgeving blijft in dit tijdperk evenmin gespaard van extreme natuurfenomenen, denk maar aan de talrijke tsunamistormen en biedt de wetenschap vandaag nog steeds onopgeloste raadsels via de mysterieuze verdwijningen in De Bermuda Driehoek. Deze Duivelsdriehoek zou volgens sommige theorieën ook wel eens gelinkt kunnen worden met Atlantis. Twee onderzoekers, Pauline Zalitzki en Paul Weinzweig, hebben bevestigd dat er zich een enorme stad op de bodem van de Atlantische Oceaan bevindt. Deze stad bevat vier enorme piramides en sphinxen en bevindt zich in de zogenaamde Bermuda Driehoek. Misschien is er dus een link tussen de mysterieuze verdwijningen en het verzonken rijk Atlantis.

Geologisch oogpunt

De Mid-Atlantische Rug loopt door het midden van de Atlantische Oceaan en heeft slechts enkele zijtakken. Er zijn geen geologische aanwijzingen in de oceaanbodem gevonden dat in geologisch recente tijd deze zijtakken groter zouden zijn geweest of meer dan nu het geval is boven water uit kwamen en de Amerikaanse en Europese continenten, eventueel met een eilandenreeks, hebben verbonden.

Een catastrofale gebeurtenis (vb. een zeebeving) in de omgeving van de Azoren waarbij veel land onder water zou verdwenen zijn, zou geologische sporen hebben achtergelaten. De oceaanbodem rond de Azoren is betrekkelijk goed onderzocht maar sporen op de zeebodem zijn niet gevonden. Ook naar de sporen die een tsunami in de zeebodem of in de overspoelde gebieden op het land zou hebben achtergelaten werd goed gezocht, maar werden niet gevonden.

De Middellandse Zee


Het eiland Santorini

Vooral het Griekse eiland Santorini (Thera), in de Egeïsche Zee, is een grote favoriet onder archeologen. Het zou alles zijn wat daar overblijft van de Minoïsche beschaving, waarvan het centrum was gelegen op Kreta, 80 km zuidwaarts. Omstreeks 1.500 v.Chr. werd Santorini getroffen door een gigantische vulkaanuitbarsting en grotendeels verzwolgen door de zee. Tijdens recente opgravingen zijn resten aangetroffen van een rijke cultuur uit het bronstijdperk. Ook voorwerpen die verband houden met een stierencultus die, volgens Plato, ook bestond in Atlantis. Maar Plato dateert de ondergang van Atlantis rond 9500 v.Chr., voorbij "de zuilen van Hercules" (de straat van Gibraltar").

A. G. Galanopoulos beweert dat Plato’s datering van 9500 jaar voor Solon’s tijd het resultaat is van een vertalingsfout, wellicht vanuit het Egyptisch naar het Grieks, met als gevolg dat “honderden” vertaald werd als “duizenden”. Een fout van dit kaliber zou Plato’s Atlantis herschalen tot de grootte van Kreta, met de legendarische stad niet groter dan de krater van Thera.

Als we dan 950 jaar voor Solon (15de eeuw v.Chr.) in kaart brengen kunnen in de buurt van de Zwarte Zee de volgende locaties in aanmerking komen: Bosporus en Ancomah (een legendarische plaats nabij Trabzon).

Geologisch oogpunt

Rampzalige vulkaanuitbarstingen hebben tijdens de klassieke oudheid in het Middellandse Zeegebied wel plaatsgevonden. Daarbij zijn ook tsunami's opgetreden. Mogelijkerwijs is de Minoïsche beschaving op Kreta ten gevolge van de vulkaanuitbarsting op Santorini weggevaagd. Zo ontdekte de archeoloog Spyridon Marinatos in 1967 de Minoïsche havenstad Akrotiri onder een laag vulkaanas op Santorini. Deze gebeurtenissen vallen echter buiten de Atlantismythe, aangezien Atlantis 'voorbij de Zuilen van Herakles' gelegen zou zijn, dat wil zeggen buiten de Middellandse Zee. Of het moet zo zijn dat Plato met de Zuilen van Herakles toch iets anders bedoelde dan men altijd aanneemt.

Antarctica



Men beweerde (in 1966 gepubliceerd door prof. dr. Charles Hapgood in zijn boek Maps of the Ancient Sea Kings) dat Antarctica de plaats is waar het vroegere Atlantis zou hebben gelegen. Deze veronderstelling zou worden ondersteund door het idee dat op een aantal middeleeuwse wereldkaarten (de 'wereld' voor zover bekend in die tijd) Antarctica nauwkeurig staat getekend, terwijl men het bestaan ervan nog niet eens kende. De bekendste hiervan is de Piri Reis-kaart uit 1513. Op deze kaart lijkt volgens sommigen Antarctica nauwkeurig getekend te zijn zoals het er onder de gigantische ijskap uit zou zien. De meeste wetenschappers zien echter geen Antarctica op deze kaart maar alleen de doorgetekende kust van Zuid-Amerika. Cartografen uit die tijd, zo luidt de hypothese, moeten de 'kennis' van Antarctica van nog veel oudere kaarten hebben overgenomen. Kaarten die verloren zouden zijn gegaan. Er moet volgens dit idee een volk zijn geweest dat in een periode lang vóór het begin van de Middeleeuwen kennis had van de eilanden van Antarctica. Dit zou dan tijdens de laatste ijstijd zijn geweest, toen een groot deel van het noordelijke halfrond onder een dikke ijskap lag. Sommige delen van Antarctica zouden juist een zachter klimaat gehad hebben. Men dacht dat er toen een volk leefde dat de zeeën rond Antarctica bevoer of er misschien zelfs woonde. Het jaartal van 9600 v.Chr. waarin volgens Plato dit volk verdween ("9000 jaar vóór de tijd van Solon"), ligt ook dicht in de buurt van het einde van de laatste ijstijd, zo'n 11.000 jaar geleden. Een andere veronderstelling over de verdwijning van Atlantis gaat uit van een verschuiving van de aardkorst, waarbij Antarctica opgeschoven zou zijn in de richting van de zuidpool en daardoor binnen korte tijd met een ijslaag bedekt werd. Geen van deze ideeën vinden ondersteuning in de geologische wetenschap.

Geologisch oogpunt

Uit geologische gegevens is duidelijk dat Antarctica minimaal sinds het Mioceen en waarschijnlijk al sinds het Onder Oligoceen ononderbroken en volledig onder een dikke ijskap gelegen heeft. Dat betekent dat van enige bewoonbaarheid van dit continent sinds enkele tientallen miljoenen jaren geen sprake kan zijn geweest.

Een verschuiving van Antarctica in de richting van de Zuidpool zou op Antarctica waarneembaar moeten zijn als een verplaatsing van de magnetische Noordpool, dat wil zeggen als een richtingsverandering van het aardmagnetisch veld. Dergelijke veranderingen worden namelijk vastgelegd in het paleomagnetisme van gesteenten. Van dit paleomagnetisme kan de richting, en daarmee dus de ligging van het continent op het moment van het vastleggen, gemeten worden. Dergelijke wijzigingen hebben zich inderdaad voorgedaan. Dit vond echter reeds plaats tijdens het Oligoceen (vandaar het begin van de verijzing tijdens die geologische periode) en de snelheid waarmee dat plaatsvond lag in de orde van enkele centimeters per jaar. Snelle veranderingen in de richting van het paleomagnetisme op Antarctica, wijzend op dramatische gevolgen, hebben tijdens het Weichselien en het Holoceen niet plaatsgevonden. En zoals gezegd zijn er helemaal geen continentverplaatsingen met snelheden zoals die hier vereist zijn bekend.

Europa

Archeologen zoeken op de bodem van de Noordzee naar verloren stammen uit prehistorisch Groot-Brittannië. Dat meldt de Britse krant Independent.



Doggerland, gelegen tussen Groot-Brittannië, Denemarken en Nederland, herbergde ooit tienduizenden gezinnen en zou een belangrijk centrum in Europa zijn geweest. Door een tsunami werd het gebied zo’n 7500 jaar geleden overspoeld. Met speciale 4D-technologie willen archeologen onderzoeken hoe het was om zo’n 6000 jaar voor de vloedgolf in de regio te leven.

Professor Vince Gaffney van de Universiteit van Bradford zei: “De enige bevolkte gebieden op aarde die nog niet tot in detail zijn onderzocht, liggen onder het zeeoppervlak.”

Tijdens de laatste ijstijd, toen de zeespiegel veel lager was, vormde Doggerland een brug tussen Groot-Brittannië en het vaste land van Europa. Nadat 20.000 jaar geleden de zeespiegel begon te stijgen liep het gebied langzaam onder water.

Het laatste droogliggende stuk Doggerland veranderde tussen 10.000 jaar geleden en 8000 jaar geleden langzaam van een vruchtbaar jachtgebied in een drassig eiland. Het werd drie jaar geleden ontdekt door duikers die voor een oliebedrijf werkzaam waren. Later bleek dat het gebied in het Mesolithicum bewoond werd.

Geologisch oogpunt

De zeespiegelstijging aan het begin van het Holoceen verliep aanvankelijk razendsnel. Zo liep het droogliggende Noordzeegebied binnen een periode van enkele mensenlevens grotendeels vol. Dit gold voor alle gebieden die nu overspoeld zijn met een randzee tot ongeveer 120 meter waterdiepte. Toen de stijging als gevolg van het smelten van de ijskappen eenmaal goed op gang was gekomen, was het in dergelijke gebieden niet mogelijk om nederzettingen, als die al bestonden, langdurig te handhaven: men zou binnen een mensenleven verscheidene keren hebben moeten verhuizen. Hoewel deze 'gebeurtenis' ver voor de meeste beschavingen plaatsvond, is het, hoewel onwaarschijnlijk, toch niet geheel ondenkbaar dat de mythe van Atlantis (evenals alle zondvloedverhalen) op deze periode teruggaat.

De theorieën over het bestaan van Atlantis zijn uiteenlopend en omstreden. Geologische gegevens kunnen slechts algemene ondersteuning bieden. De snelle zeespiegelstijging aan het begin van het Holoceen kan een gedeeltelijke verklaring leveren, maar daarbij moet bedacht worden dat bij een lage zeespiegelstand ook een (zeer) koud klimaat hoort.

De kennis van de Atlantiërs

Verschillende occulte groeperingen beroepen zich op kennis die door bemiddeling van een lange reeks geïnitieerden uit Atlantis tot ons gekomen zou zijn. Alle kennis en schatten van de Atlantiërs zouden in een schatkamer verborgen liggen. Deze kamer wordt vaak aangeduid als de ‘Hall of records’ of ‘Het heiligdom van Thoth’. Sekten en geheime magische genootschappen zoals de tempeliers, rozenkruisers en vrijmetselaars beroemen en beroepen zich op deze afstamming. Sommige van deze scholen beweren zelfs de hele geschiedenis van Atlantis te hebben gereconstrueerd aan de hand van spirituele boodschappen. Edgar Cayce, een bekend 19e eeuws Amerikaans helderziende, verklaarde in een visioen de hele geschiedenis van de mensheid vanaf Atlantis te hebben gezien. Atlantis zag hij als een hoogtechnologische beschaving, gebaseerd op de kracht van kristallen. Volgens hem wordt de kennis van Atlantis bewaard in een kamer die zich bevindt onder de voorpoten van de sfinx op het plateau van Gizeh in Egypte. Het bestaan van een kamer is door onderzoek bevestigd, maar de lokale autoriteiten hebben geen toestemming gegeven voor verder onderzoek. De ingenieur Robert Bauval heeft dit onderwerp uitvoerig behandeld in meerdere boeken.

Atlantis in andere culturen

Ook occultiste Helena Blavatsky was erg gefascineerd door de legende van Atlantis. Ze was van mening dat de hoogontwikkelde cultuur van Atlantis zich na de vernietiging had verspreid in andere culturen en daarmee in de godsdiensten waarvan zij elementen had verzameld in de theosofie.

Rudolf Steiner borduurde daarop voort. Hij beschrijft in zijn boeken en voordrachten in detail hoe Atlantis en zijn bewoners er fysiek uit zouden hebben gezien (totaal anders dan in het huidige tijdperk) en sluit daarbij vrij nauwkeurig aan bij de officiële geologisch wetenschappelijke historische inzichten t.a.v. de platentectoniek en het begin van het Holoceen.

De nazi-ideoloog Alfred Rosenberg opperde - mogelijk mede vanuit zijn betrokkenheid bij het ariosofische Thule-Gesellschaft - dat de Ariërs zouden afstammen van de Atlantiërs. Volgens hem zou uit diepzeeonderzoek zijn gebleken dat tienduizenden jaren geleden in korte tijd een Atlantisch bergmassief onder water is verdwenen; in de dalen van dit gebergte zouden eens culturen zijn ontstaan die na een of meerdere catastrofen ten onder zijn gegaan. De resten van dit continent zijn nu Groenland en IJsland. Volgens hem is het waarschijnlijk dat de noordpool verschoven is en dat in het huidige noordpoolgebied een warmer klimaat heerste. De blonde en blauwogige Atlantiërs zouden een grootse cultuur opgebouwd hebben en als zeevaarders en veroveraars over de wereld zijn uitgetrokken, in zwaan- en drakenboten naar de Middellandse Zee, Afrika, en over land via Centraal-Azië naar Kuqa en mogelijk verder naar China; ook zouden ze via Noord-Amerika zijn doorgetrokken naar het zuiden van het Amerikaanse continent. Sporen van de Atlantische cultuur zouden zijn terug te vinden in het Indische Mahabharata-epos, in het Perzische zoroastrisme en in het oude Egypte van voor de farao's. Dit soort theorieën pasten in de nazi-ideologie van een hyperboreïsche afkomst van de Ariërs, maar Rosenberg maakt ook duidelijk dat hij de oude mythen zoals die van de spoedige terugkeer van Jezus, de voortdurende vooruitgang van de wetenschap of de mythe van het Marxistische arbeidersparadijs wil vervangen voor nieuwe, Arische mythen.

Mythes & Mysteries
Printvriendelijke versie